Onderzoek: vleermuizenbescherming in de Nederlandse vergunningpraktijk
De Stichting Natuurwet verricht onderzoek naar de wijze waarop de bescherming van vleermuizen in Nederland in de praktijk wordt toegepast bij vergunningverlening en de beoordeling van natuurtoetsen. Aanleiding voor dit onderzoek vormt de vraag of de huidige praktijk in overeenstemming is met de verplichtingen die voortvloeien uit de Habitatrichtlijn, in het bijzonder artikel 12, waarin een systeem van strikte bescherming is voorgeschreven voor soorten van bijlage IV, waaronder alle in Nederland voorkomende vleermuizen.
Dit systeem van strikte bescherming houdt in dat lidstaten niet alleen bepaalde handelingen moeten verbieden, zoals het opzettelijk verstoren van soorten en het beschadigen of vernielen van voortplantings- en rustplaatsen, maar ook dat zij daadwerkelijk moeten waarborgen dat deze verboden effectief worden nageleefd. Uit de richtsnoeren van de Europese Commissie volgt dat dit systeem een preventief karakter heeft en dat het niet is toegestaan te wachten totdat schade aan populaties aantoonbaar is opgetreden.
In de Nederlandse praktijk wordt de beoordeling van effecten op vleermuizen in belangrijke mate vormgegeven via natuurtoetsen, die ten grondslag liggen aan besluiten over de vraag of een vergunning vereist is voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet, en de toepassing van de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving, waaronder artikel 11.27 en volgende. Deze toetsen spelen daarmee een centrale rol bij de vraag of de bescherming die de Habitatrichtlijn beoogt te bieden, daadwerkelijk wordt gerealiseerd.
Het onderzoek richt zich in het bijzonder op de vraag of in deze natuurtoetsen en de daarop gebaseerde besluitvorming voldoende aandacht wordt besteed aan de ecologische functionaliteit van het leefgebied van vleermuizen. Daarbij gaat het niet alleen om verblijfplaatsen, maar ook om vliegroutes, migratieroutes en foerageergebieden, die voor vleermuizen essentieel zijn voor hun voortbestaan. Indien deze elementen buiten beschouwing blijven of slechts beperkt worden onderzocht, rijst de vraag of de beoordeling voldoet aan de eisen van artikel 12 van de Habitatrichtlijn.
In het kader van dit onderzoek worden bij verschillende provincies documenten opgevraagd die betrekking hebben op natuurtoetsen, aanvullende soortonderzoeken en de interne beoordeling daarvan door het bevoegd gezag. Deze documenten worden geanalyseerd op de wijze waarop effecten op vleermuizen worden vastgesteld, beoordeeld en juridisch gekwalificeerd. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de vraag of onderzoek plaatsvindt op relevante ruimtelijke en temporele schaal, of uitwijkmogelijkheden daadwerkelijk worden onderbouwd, en op welke gronden wordt geconcludeerd dat geen vergunningplicht bestaat.
Het doel van het onderzoek is om inzicht te verkrijgen in de wijze waarop de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn in de Nederlandse praktijk worden toegepast, en om te beoordelen of sprake is van een juridisch en ecologisch houdbare benadering. De resultaten zullen worden gepubliceerd in een reeks artikelen, waarin zowel het juridische kader als de bevindingen uit de praktijk worden uitgewerkt.