Klacht wegens onjuiste implementatie Vogelrichtlijn
Stichting Natuurwet heeft een klacht ingediend bij de Europese Commissie wegens onjuiste implementatie van de Vogelrichtijn (Richtlijn 2009/147/EG) inzake het behoud van de vogelstand in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Richtlijn 2009/147/EG betreffende het behoud van de vogelstand (de Vogelrichtlijn) verplicht de lidstaten alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten te beschermen.
Artikel 1 van de Vogelrichtlijn bepaalt dat de richtlijn betrekking heeft op alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. Op grond van artikel 5 zijn de lidstaten verplicht voor deze vogelsoorten een algemene beschermingsregeling vast te stellen, bestaande uit onder meer verboden op het opzettelijk doden of vangen van vogels, het vernielen of beschadigen van nesten en eieren, het rapen en onder zich hebben van eieren en het opzettelijk storen van vogels. Artikel 9 van de Vogelrichtlijn bepaalt dat onder strikte voorwaarden kan worden afgeweken van de bepalingen van o.a. artikel 5 van de Vogelrichtlijn.
Nederland heeft de artikelen 1, 5 en 9 van de Vogelrichtlijn geïmplementeerd in artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet, in samenhang met de artikelen 11.37 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Artikel 5.1, tweede lid, onder g, Omgevingswet bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. Artikel 11.37 Bal bepaalt dat voor het opzettelijk doden of vangen van vogels, het vernielen of beschadigen van nesten en eieren, het rapen en onder zich hebben van eieren en het opzettelijk storen van vogels een omgevingsvergunning is vereist. De vergunningplicht is echter beperkt tot "van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn."
Hiermee heeft Nederland de beschermingsregeling van artikel 5 beperkt tot vogelsoorten die van nature in Nederland voorkomen. Deze beperking is niet verenigbaar met artikel 1 van de Vogelrichtlijn, dat betrekking heeft op alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten.
Deze uitleg wordt bevestigd door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. In zaak 247/85 (Commissie/België) oordeelde het Hof dat de beschermingsregeling van de Vogelrichtlijn niet mag worden beperkt tot vogelsoorten die van nature op het nationale grondgebied voorkomen. In zaak C-192/11 (Commissie/Polen) bevestigde het Hof dat de nationale omzetting betrekking moet hebben op alle vogelsoorten die onder artikel 1 van de Vogelrichtlijn vallen. In de gevoegde zaken C-473/19 en C-474/19 (Fältbiologerna e.a.) benadrukte het Hof opnieuw dat de beschermingsregeling van artikel 5 geldt voor alle vogelsoorten waarop artikel 1 van de Vogelrichtlijn van toepassing is.
Stichting Natuurwet heeft de Europese Commissie verzocht vast te stellen dat Nederland, door artikel 11.37 van het Besluit activiteiten leefomgeving te beperken tot "van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn", de artikelen 1, 5 en 9 van Richtlijn 2009/147/EG onjuist heeft omgezet en daarmee zijn verplichtingen uit hoofde van het Unierecht niet is nagekomen. Voorts heeft Stichting Natuurwet de Commissie verzocht de krachtens artikel 258 VWEU passende maatregelen te treffen om deze inbreuk te beëindigen en Nederland te verzoeken artikel 11.37 van het Besluit activiteiten leefomgeving in overeenstemming te brengen met de Vogelrichtlijn.