Analyse uitspraak ECLI:NL:CBB:2026:211
Uitspraak ECLI:NL:CBB:2026:211 is vooral van groot belang omdat het College duidelijk maakt dat de huis- en hobbydierenlijst juridisch bestaat uit honderden afzonderlijke soortbesluiten. Daardoor staat volgens het College niet alleen tegen het aanwijzen van soorten bezwaar en beroep open, maar ook tegen de weigering om een soort op de lijst te plaatsen. De minister had de bezwaren tegen weigeringen om soorten die niet eerder op de oude positieflijst stonden, op de Huis- en hobbydierenlijst te plaatsen, daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
Daarnaast laat het College de algemene beoordelingsmethodiek grotendeels in stand. Het College accepteert dat de minister soorten binair mocht beoordelen, dat niet alle stappen van een volledige risicoanalyse hoefden te worden uitgevoerd en dat geen rekening hoefde te worden gehouden met ideale houderijomstandigheden of gespecialiseerde kennis.
Wel grijpt het College in bij de toepassing van het domesticatiecriterium. Volgens het College heeft de minister te veel nadruk gelegd op de vraag of wetenschappelijk bewezen was dat een soort zich in een vergevorderd stadium van domesticatie bevindt. Daardoor heeft de minister onvoldoende onderzocht of langdurige houderij, bestaande praktijkkennis en maatschappelijke aanvaardbaarheid toch aanleiding gaven om bepaalde soorten toe te laten.
Dat leidt ertoe dat de minister opnieuw moet beslissen op de bezwaren tegen de weigering om onder meer de dromedaris, chinchilla, Russische dwerghamster en het witstaartstekelvarken op de huis- en hobbydierenlijst te plaatsen. Voor de overige aangevochten soorten blijft de weigering in stand.
Wat is de Huis- en hobbydierenlijst
De huis- en hobbydierenlijst is de lijst met zoogdieren die in Nederland nog als huis- of hobbydier gehouden mogen worden. Alleen soorten die op deze lijst staan zijn toegestaan. Voor alle soorten die niet op de lijst staan, geldt in beginsel een houdverbod.
Voor de lijst heeft de minister 314 zoogdiersoorten laten beoordelen. Uiteindelijk zijn slechts 30 soorten op de lijst geplaatst. Voor de overige 284 beoordeelde soorten heeft de minister besloten dat zij niet geschikt zijn om als huis- of hobbydier gehouden te worden.
Tegen deze besluiten zijn verschillende bezwaren en beroepen ingesteld. De beroepen in deze zaak zijn ingesteld door Stichting Animalia en andere appellanten, verder appellanten genoemd. Deze kunnen worden onderscheiden in twee onderdelen.
In de eerste plaats ging het om beroep tegen het besluit waarbij de minister de bezwaren van appellanten tegen de weigering soorten op te nemen op de huis- en hobbydierenlijst niet-ontvankelijk verklaarde. Dit ging om soorten die ook niet op de oude lijst van zoogdiersoorten die gehouden mochten worden stonden.
In de tweede plaats ging het om beroep tegen het besluit waarbij het bezwaar tegen de weigering specifieke soorten op te nemen op de huis- en hobbydierenlijst, ongegrond werd verklaard. Dit betrof de dromedaris, de chinchilla, de Russische dwerghamster, het witstaartstekelvarken, het stinkdier, de bennetwallaby, de veeltepelmuis en de Tanzaniaanse grasrat.
Beroep tegen het niet-ontvankelijk verklaren is gegrond
Wat van groot belang is, is dat het College eerst vaststelt dat de huis- en hobbydierenlijst juridisch niet moet worden gezien als één groot besluit, maar als honderden afzonderlijke beslissingen per diersoort. Volgens het College gaat het om 30 besluiten waarbij soorten wel zijn aangewezen en 284 besluiten waarbij beoordeelde soorten juist niet zijn aangewezen.
Dat is belangrijk, omdat het College daar vervolgens uit afleidt dat ook de weigering om een soort op de lijst te plaatsen een zelfstandig besluit is waartegen bezwaar en beroep openstaat. Volgens het College geldt dat niet alleen voor soorten die vroeger wel op de oude positieflijst stonden, maar ook voor soorten die nooit eerder waren toegestaan.
En juist daar ging het volgens het College mis bij de minister.
De minister had namelijk het deel van de bezwaren dat soorten betrof die eerder niet op de lijst stonden en nu weer niet waren opgenomen, niet-ontvankelijk verklaard.
Het College oordeelt dat dit onjuist was. Volgens het College stonden ook tegen deze weigeringen gewoon bezwaar en beroep open. De minister had deze bezwaren dus inhoudelijk moeten behandelen in plaats van ze af te wijzen als niet-ontvankelijk.
Daarom verklaart het College de beroepen op dit punt gegrond en moet de minister alsnog inhoudelijk op de bezwaren ingaan.
De uitspraak gaat daarna verder met een tweede groep soorten. Dat zijn soorten waarbij de minister het bezwaar wél inhoudelijk had behandeld, maar vervolgens het bezwaar tegen de weigering de soort op de huis- en hobbydierenlijst te plaatsen, ongegrond verklaarde.
Echter, voordat het College ingaat op de besluiten om deze soorten niet op de huis- en hobbydierenlijst op te nemen, gaat het College uitgebreid in op de beoordelingsmethodiek die de minister heeft toegepast.
Voor de nieuwe huis- en hobbydierenlijst heeft de minister een beoordelingssysteem laten ontwikkelen waarbij per diersoort verschillende risicofactoren werden onderzocht. Daarbij werd gekeken naar risico’s voor het welzijn van het dier zelf, maar ook naar risico’s voor mensen.
Uitgangspunt van de beoordelingsmethodiek
Het College bespreekt eerst het uitgangspunt van die beoordeling. Volgens de minister moest niet centraal staan of een zeer deskundige houder een dier onder ideale omstandigheden misschien goed kan houden. De vraag moest volgens de minister zijn of een soort in algemene zin geschikt is om als huis- of hobbydier gehouden te worden. Het College accepteert dat uitgangspunt. Volgens het College mocht de minister dus kijken naar de eigenschappen en behoeften van de diersoort zelf en hoefde hij geen doorslaggevende betekenis toe te kennen aan houderijomstandigheden of gespecialiseerde kennis.
Wetenschappelijke onderbouwing
Daarna gaat het College in op de wetenschappelijke onderbouwing van de beoordeling. Appellanten hadden aangevoerd dat onvoldoende soortspecifieke gegevens beschikbaar waren en dat te veel gebruik werd gemaakt van informatie van verwante soorten. Het College volgt die kritiek niet. Volgens het College mocht het Adviescollege in bepaalde gevallen gebruik maken van gegevens van vergelijkbare soorten wanneer onvoldoende directe informatie beschikbaar was over de soort zelf.
Beoordeling van de risicofactoren
Vervolgens bespreekt het College de manier waarop deze risicofactoren — eigenschappen van dieren die mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben — zijn beoordeeld. Dat onderdeel is belangrijk, omdat daar veel kritiek op was.
Binair
Het beoordelingssysteem werkte namelijk grotendeels binair. Dat betekent dat per risicofactor vooral werd gekeken of een soort een bepaalde eigenschap heeft of niet. Er werd dus bijvoorbeeld gekeken óf een soort complexe temperatuurbehoeften heeft, óf sprake is van complex sociaal gedrag, óf een risico bestaat op ernstig letsel of zoönosen.
Er werd dus vooral gekeken of een risico aanwezig is, niet hoe groot dat risico precies in de praktijk is.
Juist daar hadden appellanten veel kritiek op. Zij vonden dat het systeem daardoor te grof en te theoretisch werd. Volgens appellanten zegt de enkele aanwezigheid van een eigenschap nog weinig over de vraag hoe problematisch een soort in de praktijk werkelijk is.
Het College accepteert deze werkwijze echter grotendeels. Volgens het College hebben de WAP en het Adviescollege voldoende uitgelegd dat de huidige stand van de wetenschap geen betrouwbare methode biedt om de ernst, frequentie en zwaarte van iedere afzonderlijke risicofactor exact te berekenen. Daarom mocht volgens het College gewerkt worden met een systeem waarbij de aanwezigheid van risicofactoren centraal staat.
Geen volledige risicobeoordeling
Daarna gaat het College in op een ander belangrijk kritiekpunt: niet alle stappen van een volledige wetenschappelijke risicoanalyse waren uitgevoerd.
Normaal gesproken bestaat een uitgebreide risicoanalyse uit meerdere stappen. Eerst wordt gekeken welke mogelijke gevaren bestaan; dit zijn eigenschappen die mogelijk negatieve gevolgen hebben. Daarna wordt onderzocht hoe groot de kans is dat die gevaren zich daadwerkelijk voordoen, hoe ernstig de gevolgen zijn als ze zich voordoen en hoe groot de kans op het intreden van die negatieve gevolgen in de praktijk is.
Volgens appellanten was vooral dat laatste onvoldoende gebeurd. Er was wel gekeken naar mogelijke risico’s, maar onvoldoende naar de werkelijke omvang van die risico’s in de praktijk.
Ook op dit punt volgt het College appellanten niet. Volgens het College betekent het ontbreken van een volledige risicoanalyse niet dat de beoordelingssystematiek daardoor ondeugdelijk wordt. Het College oordeelt dat de minister op grond van het voorzorgsbeginsel ook maatregelen mag nemen wanneer wetenschappelijk niet exact kan worden vastgesteld hoe groot een risico is, zolang wel voldoende aannemelijk is dat bepaalde eigenschappen van een soort risico’s kunnen opleveren voor mens of dier.
Tot slot gaat het College nog in op de vraag of de minister rekening had moeten houden met speciale houderijmaatregelen, zoals extra kennis, certificering of bijzondere verblijven. Ook daarin volgt het College de minister. Volgens het College mocht de minister beoordelen of een soort in algemene zin geschikt is om gehouden te worden, zonder daarbij afhankelijk te zijn van aanvullende voorwaarden of uitzonderlijke houderijvoorzieningen.
Daarmee laat het College de algemene beoordelingsmethodiek van de huis- en hobbydierenlijst in stand.
Soortspecifiek deel uitspraak
Na de beoordelingsmethodiek gaat het College kijken naar de concrete soorten waarvoor inhoudelijk beroep was ingesteld.
Daarbij komt vooral het zogenoemde domesticatiecriterium centraal te staan.
Het College legt eerst uit waarom dit criterium is ontwikkeld. Wanneer de gewone risicobeoordeling strikt zou worden toegepast, zouden volgens het College mogelijk zelfs honden, katten en paarden niet zonder meer op de huis- en hobbydierenlijst terechtkomen. Daarom heeft het Adviescollege onderzocht of sommige soorten zich in een vergevorderd stadium van domesticatie bevinden. Daarbij werd onder meer gekeken naar genetische veranderingen, langdurige selectie door mensen en aanpassing aan het leven met mensen.
Onjuiste toepassing van het domesticatiecriterium
Het College accepteert dat de minister zo’n domesticatiecriterium mocht gebruiken, maar oordeelt toch dat de minister het niet goed heeft toegepast. De minister heeft te veel gewicht toegekend aan de wetenschappelijke beoordeling of een soort zich in een vergevorderd stadium van domesticatie bevindt. Deze beoordeling gebeurde aan de hand van de volgende criteria:
Vergevorderd stadium domesticatie
i. Blijkt uit betrouwbare bronnen (primaire, peer-reviewed wetenschappelijke literatuur) dat exemplaren van de betreffende soort gedurende vele generaties door de mens worden gehouden?
ii. Is sprake van gerichte, consistente selectie en intensieve fokkerij van individuele dieren met voor de mens nuttige kenmerken en eigenschappen?
iii. Heeft deze fokkerij over generaties heen geleid tot stabiele veranderingen in gedrag, morfologie, fysiologie of reproductie waardoor de gehouden populatie zich aantoonbaar onderscheidt van het oorspronkelijke wildtype?
De minister heeft uiteengezet dat diersoorten die zich in een vergevorderd stadium van domesticatie bevinden, ook kunnen worden aangewezen wanneer bepaalde risicofactoren aanwezig zijn. Volgens de minister komt dat doordat het risico voor mens en dier bij deze soorten beperkt wordt geacht, gelet op vier omstandigheden:
de diersoort is genetisch aangepast aan het leven met mensen;
voor de soort bestaat een gangbare houderij met veel kennis en ervaring;
de gezondheidsrisico’s worden maatschappelijk aanvaard vanwege de lange traditie van houderij;
binnen de soort kunnen grote verschillen bestaan tussen rassen of populaties.
Het College oordeelt dat de minister de drie wetenschappelijke criteria voor vergevorderde domesticatie te strikt heeft toegepast. Wanneer niet volledig aan deze criteria werd voldaan, stopte de beoordeling in feite al. Daardoor onderzocht de minister onvoldoende of soorten vanwege hun lange houderijgeschiedenis toch op de lijst konden worden geplaatst.
Volgens het College had de minister ook wanneer niet volledig aan alle drie de wetenschappelijke criteria was voldaan, alsnog moeten beoordelen of de vier omstandigheden aanleiding gaven om de soort toch toe te laten.
Juist daarom grijpt het College in bij onder meer de dromedaris, chinchilla, Russische dwerghamster en het witstaartstekelvarken.
Ten aanzien van de dromedaris oordeelt het College dat de minister had moeten bezien of er concrete aanknopingspunten waren dat de tweede en/of derde omstandigheid bij deze diersoort aan de orde zijn. Die situatie doet zich volgens het College voor bij de dromedaris.
Het College neemt daarbij in aanmerking dat tussen partijen niet in geschil is dat de dromedaris niet meer in het wild voorkomt en al zeer lang door mensen wordt gehouden. Appellanten hebben er verder — door de minister niet bestreden — op gewezen dat veel houderijkennis beschikbaar is over de dromedaris. De soort kameel, die eveneens behoort tot de familie van kameelachtigen, is bovendien wel aangewezen.
Het beroep tegen de weigering deze soort op te nemen op de huis- en hobbydierenlijst is daarom gegrond en de minister moet opnieuw beslissen op het bezwaar.
Bij de chinchilla oordeelt het College op basis van andere argumenten dat de weigering onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd is.
Het College wijst erop dat de chinchilla in de door het Adviescollege gebruikte figuur van Larson & Burger uiterst rechts staat. Volgens de minister zelf ging het daarbij juist om populaties die in vergaande mate gedomesticeerd zijn. Daarnaast wijst het College erop dat CITES de gedomesticeerde chinchilla al sinds 1987 anders behandelt dan de wilde vorm. De wilde vorm valt onder CITES-bijlage I, terwijl de gedomesticeerde vorm daarvan is uitgezonderd. De minister heeft dat niet bestreden.
Volgens het College kon de minister daarom niet volstaan met verwijzingen naar de smalle genetische basis van de populatie, inteeltproblemen, gebrek aan kennis bij gemiddelde houders en impulsaankopen. De minister had alle relevante omstandigheden in samenhang moeten beoordelen.
Ook hier is het beroep gegrond en moet de minister een nieuw besluit nemen op het bezwaar tegen de weigering de soort op te nemen op de huis- en hobbydierenlijst.
Bij de Russische dwerghamster stelt het College vast dat veel goede houderij- en gedragsinformatie beschikbaar is, onder meer van het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren, en dat deze hamster qua diergeneeskundige problematiek goed vergelijkbaar is met de gedomesticeerde goudhamster die wel is aangewezen. De minister heeft dit niet bestreden.
Daarnaast is niet in geschil dat de soort in wetenschappelijke literatuur is beschreven als gedomesticeerd. Gelet hierop zijn er volgens het College concrete aanknopingspunten dat de tweede en derde omstandigheid aan de orde kunnen zijn. Daarom mocht de weigering deze soort op te nemen op de huis- en hobbydierenlijst niet uitsluitend gebaseerd worden op het ontbreken van bewijs dat volledig aan de drie wetenschappelijke criteria voor vergevorderde domesticatie is voldaan.
Ook hier is het beroep gegrond en moet de minister een nieuw besluit nemen op het bezwaar tegen de weigering de soort op te nemen op de huis- en hobbydierenlijst.
Ook bij het witstaartstekelvarken oordeelt het College dat de minister onvoldoende heeft onderzocht of er, gelet op de tweede en/of derde omstandigheid in samenhang met de vierde, aanleiding bestond het witstaartstekelvarken om bestuurlijke redenen toch op basis van het domesticatiecriterium aan te wijzen.
Het College neemt daarbij in aanmerking dat appellanten onbetwist hebben gesteld dat al circa dertig jaar gesloten foklijnen bestaan met aantoonbare domesticatiekenmerken.
Volgens het College had de minister daarom beter moeten motiveren waarom langdurige houderijervaring en maatschappelijke aanvaardbaarheid hier onvoldoende gewicht kregen.
Ook hier is het beroep gegrond en moet de minister opnieuw beslissen op het bezwaar tegen de weigering deze soort op te nemen op de huis- en hobbydierenlijst.
Gevolgen van het verkeerd toepassen van het domesticatiecriterium
Dat betekent niet dat deze dieren automatisch op de huis- en hobbydierenlijst worden geplaatst. Wel moet de minister opnieuw op de bezwaren beslissen en daarbij rekening houden met wat het College in deze uitspraak heeft overwogen.
Voor de overige aangevochten soorten volgt het College de minister uiteindelijk wel. Daarbij laat het College de minister veel beoordelingsruimte. Zolang voldoende aannemelijk is dat bepaalde eigenschappen van een soort relevante risico’s kunnen opleveren, mag de minister volgens het College terughoudend zijn met het toelaten van die soort op de huis- en hobbydierenlijst.
Het College gaat gedeeltelijk mee in het argument dat niet zonder meer van wildvangdieren mag worden uitgegaan. Volgens het College moet in beginsel worden gekeken naar dieren uit gehouden populaties, omdat de Europese regelgeving uitgaat van legaal gehouden dieren en niet van recente wildvang. Wel moet dan worden aangetoond dat een soort niet in Europa in het wild voorkomt.
Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt volgens het College niet, omdat appellanten onvoldoende hebben onderbouwd waarom het verbod voor specifieke diersoorten tot een onevenredige uitkomst leidt.
Daarbij speelt mee dat de minister volgens het College maar weinig beleidsvrijheid heeft. Wanneer een soort aan de wettelijke criteria voldoet, moet de minister de soort toelaten. Voldoet een soort daar niet aan, dan moet de minister de soort weigeren. Daarom is er volgens het College nauwelijks ruimte voor een gewone belangenafweging.
Alleen in zeer bijzondere gevallen zou toepassing van de criteria zo onevenwichtig kunnen uitpakken dat daarvan moet worden afgeweken. Volgens het College was daarvan hier niet gebleken.
Het College heeft het beroep gegrond verklaard voor zover de minister:
de bezwaren tegen de weigering bepaalde soorten op de huis- en hobbydierenlijst te plaatsen ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard;
en voor zover de minister de weigering om de dromedaris, chinchilla, Russische dwerghamster en het witstaartstekelvarken op de huis- en hobbydierenlijst te plaatsen, had gehandhaafd.
Voor deze onderdelen zijn de besluiten vernietigd en moet de minister opnieuw op de bezwaren beslissen met inachtneming van de uitspraak van het College.
Voor het overige heeft het College de beroepen ongegrond verklaard. Dat betekent dat de algemene beoordelingsmethodiek van de huis- en hobbydierenlijst in stand blijft en dat de weigering om de overige aangevochten soorten op de lijst te plaatsen overeind blijft.